Ongekend wetenschappelijk doorbraak: Zweedse onderzoekers halen DNA uit een 130 jaar geleden uitgestorven dier

Onderzoekers hebben voor het eerst genetisch materiaal bestudeerd dat rechtstreeks verband houdt met cellulaire activiteit van een uitgestorven dier. Deze studie gaat verder dan alleen gen‑sequencing en levert een functionele kijk op de biologie van de tilacine, ook bekend als de Tasmaanse tijger. Dat is een belangrijke stap in de paleogenomica, een veld dat tot nu toe moeite had met het begrijpen van weefselfuncties en cellulaire processen.
Een vernieuwende aanpak
Paleogenomica draait om oud DNA, dat laat zien welke genen ooit aanwezig waren. RNA is veel fragieler, maar vertelt welke genen op dat moment actief waren in een specifiek weefsel, en geeft dus diepere inzichten in celactiviteiten van uitgestorven dieren. Lang werd gedacht dat RNA niet lang buiten een levend organisme kon overleven, maar het recente onderzoek onder leiding van Marc R. Friedländer van de Universiteit van Stockholm laat zien dat droge conservering de chemische afbraak van RNA kan vertragen.
De studie, gepubliceerd in Genome Research, is een samenwerking met meerdere wetenschappelijke centra in Zweden. Het laatste gedocumenteerde exemplaar van de Tasmaanse tijger in het Zweeds Natuurhistorisch Museum maakte dit onderzoek mogelijk. Het specimen lag daar bewaard onder droge omstandigheden en op kamertemperatuur, wat heeft geholpen de integriteit van het RNA te bewaren.
Wat we leren over de tilacine
Het onderzoek richtte zich op monsters van spier- en huidweefsel uit het lichaam van de Tasmaanse tijger. De RNA-analyse van deze monsters bracht belangrijke moleculaire gegevens aan het licht. In spierweefsel werden de sterkste signalen gevonden in genen die te maken hebben met contractie en energieverbruik, wat directe functionele aanwijzingen geeft over de spieractiviteit van de uitgestorven tilacine.
In de huid domineerden genen die gekoppeld zijn aan keratine, belangrijk voor de externe bescherming. Ook werden sporen van hemoglobine‑RNA gevonden, wat wijst op de aanwezigheid van bloed tijdens de preparatie van het specimen (en daarmee een uniek kijkje geeft in de toestand van het dier vlak voor conservering).
Vergelijkingen met moderne buideldieren en caniden (hondachtigen) bevestigden dat de huid en spieren van de tilacine functioneerden zoals verwacht, wat de waarde van RNA-analyse voor paleobiologie verder ondersteunt.
Wat de resultaten opleveren
Het team identificeerde ook microRNA-moleculen, die een rol spelen bij de regulatie van eiwitproductie, en bouwde zo de catalogus van bekende tilacine‑microRNA’s flink uit. Dit was met alleen DNA niet mogelijk, en de verbeterde genoomannotatie maakt vergelijkingen met hedendaagse soorten nauwkeuriger en verkleint fouten in toekomstig onderzoek.
Interessant is dat de analyse ook aanwijzingen gaf voor oude RNA-virussen, wat musea als onverwachte archieven voor virale evolutie in beeld kan brengen. De onderzoekers benadrukken dat vervolgonderzoek nodig is om deze bevindingen te bevestigen.
Dit werk laat zien dat moleculair onderzoek naar langer bewaard gebleven RNA van uitgestorven dieren nieuwe, gedetailleerde inzichten kan bieden in hun levenswijze en biologie. Het onderstreept ook hoe belangrijk droge bewaarcondities zijn voor het behoud van RNA, en maakt gedetailleerdere moleculaire studies van andere uitgestorven soorten mogelijk. Deze aanpak heeft niet alleen onze kennis over de tilacine verdiept, maar opent ook nieuwe wegen voor het onderzoek naar andere uitgestorven dieren.